Bereken de axiale, tangentiële en schuine (oblique) staande golven van een rechthoekige ruimte.
| Prioriteit | Zoek rond | Start-cut | Q (start) | Mode(s) |
|---|
Belangrijke kanttekening: getrainde oren zijn in de praktijk waardevoller dan deze berekening; geen enkele engineer stelt een EQ in op basis van alleen een rekenmodel. De berekening gaat uit van kale, starre wanden en een aangenomen nagalmtijd van ~0,5 s; meubels, absorptie en de werkelijke wandconstructie verschuiven frequenties, diepte en breedte. EQ haalt bovendien alleen de klankkleuring weg, niet het naklinken (de tijdsdimensie) van een mode; daarvoor helpt alleen akoestische behandeling of een andere ruimte. De zoekkaart geldt uitsluitend voor deze ene positie: verplaats je de microfoon of spreker, dan horen daar andere kandidaten bij.
| # | Type | nx, ny, nz | Frequentie | Boventoon-reeks | Afstand tot vorige |
|---|
Berekend met f = (c/2)·√((nx/Lx)² + (ny/Ly)² + (nz/Lz)²), met c = 343 m/s (geluidssnelheid bij ~20°C). Axiale modes (1 richting) klinken doorgaans het sterkst door, tangentiële modes (2 richtingen) halverwege, schuine/oblique modes (3 richtingen) het zwakst. Rijen met een oranje achtergrond liggen minder dan 5 Hz bij de vorige mode vandaan; zulke clusters vallen akoestisch het sterkst op. Axiale modes langs dezelfde as vormen een echte harmonische reeks (f(n) = n·f(1)): de 2e boventoon van een as-grondtoon ligt precies op het dubbele van die frequentie, de 3e op het drievoudige, enzovoort; de cijfers boven de axiale strepen in de grafiek tonen dit volgnummer. Twee verschillende assen kunnen elkaars boventonen kruisen (zoals hierboven zichtbaar in geclusterde rijen); dat is meestal de eigenlijke oorzaak van een cluster, niet toeval.
Het oordeel kijkt alleen naar axiale modes (die klinken het sterkst door) binnen het gekozen stembereik; de "Rekenen met"-vinkjes onder Modes tellen hier bewust niet in mee. Meegewogen worden: clusters van samenvallende modes onder de Schroeder-frequentie (daaronder zijn modes als losse resonanties hoorbaar, en hoe lager en hoe exacter de samenval, hoe zwaarder die telt), de kamerverhoudingen (gelijke of geheeltallige maten, de EBU Tech 3276-richtlijn en klassieke verhoudingen van Sepmeyer, Louden en Bolt) en het volume. De Schroeder-frequentie is berekend met dezelfde aangenomen nagalmtijd (0,5 s) als de EQ-zoekkaart.
Eerlijke slotsom: absorptie en EQ maken een kamer beter, maar de natuurkunde blijft: modes horen bij de afmetingen van de ruimte. Voor opnames die altijd en overal consequent moeten klinken is een professioneel gebouwde en behandelde studio uiteindelijk de betrouwbaarste oplossing.